Inmiddels zijn we alweer twee weken op stage in Tanzania. Hoogtepuntjes en moeilijke momenten wisselen elkaar af. Twee persoonlijke wil ik graag met je delen:
Op onze eerste sportmiddag bij een project van Right to Play in Mugumu, (middle on nowhere, geen electriciteit, geen Engels, niet in de lonely planet), bij mijn eerste sprintje verrek ik mijn bovenbeenspier. Zwaar balend ga ik langs de kant zitten. Na een paar minuten bokken besluit ik het tij te keren. Ik ga bij een paar kindjes een stukje verderop zitten en begin zachtjes een liedje in het Kiswahili (lokale taal) te zingen. Aanvankelijk wat aarzelend beginnen twee meisjes mee te zingen, al snel volgen er meer en binnen no time zit ik daar: In the middel of no where, met zeker vijftig kindjes om me heen die allemaal uit volle borst meezingen: ‘ Jambo, Jambo watoto, habari gani, nzuri sana, watoto mekeribishwa, Tanzania, Hakuna Matata!’ Het is hier heerlijk!
Vanuit ons hostel in Mugumu lopen we met de hele groep naar het speelveldje dat Right to Play heeft aangelegd. Op weg daar naartoe kijken allemaal kindjes ons nieuwsgierig aan. Als ik ze in hun eigen taal groet krijg ik verlegen glimlachjes en opgewekte groeten terug. Dan rusten mijn ogen op de goot. Mijn beeld van Tanzania was tot nu toe lachende en zwaaiende kinderen. Nu komt dat andere beeld naar voren; dat beel dat ik zo goed ken van de TV: In de goot zitten twee kleine kindjes, zonder kleren aan, met vliegjes op zich en duidelijkzichtbare hongerbuikjes. Beiden beelden zijn waar, maar het is soms heel oneerlijk.
Sandra


